|
Schadevergoeding beroepsmilitair,
Wat vergoedt het Ministerie van Defensie?
Als een beroepsmilitair in de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeval overkomt dan moet hij zich door een woud regels vechten om genoegdoening te krijgen. Dat dat soms bijzonder lang kan duren moge blijken uit de volgende casus.
Liesbreuk
Per 1 april 1988 werd cliënt aangesteld als beroepsmilitair voor onbepaalde tijd in de rang van sergeant eerste klasse wapensysteemtechnicus bij het Ministerie van Defensie. Hij behoorde tot de categorie Technisch Middenkader. In november 1989 onderging cliënt in het Militair Hospitaal een liesbreukoperatie. Enige tijd na deze operatie begon de ellende voor cliënt. Hij werd steeds vaker geconfronteerd met buik- en darmklachten. Aanvankelijk werden deze klachten toegeschreven aan littekenweefsel. Ondanks diverse operaties ter correctie van het littekenweefsel bleef cliënt klachten houden. Na een uitgebreide operatieve ingreep in 1992 bleek de oorzaak van alle ellende een achtergebleven gaasje te zijn. Vanwege de lange duur van het gaasje in het lichaam zijn de darmen van cliënt behoorlijk aangetast, ten gevolge van de vele ontstekingen. Vele operaties nadien volgden nog met weinig resultaat.
Erkenning aansprakelijkheid Ministerie van Defensie
Momenteel ondergaat cliënt nog steeds operaties aan zijn darmen en buikwand. Het voorval heeft uiteindelijk ertoe geleid dat cliënt volledig arbeidsongeschikt raakte. Het Ministerie van Defensie heeft de aansprakelijkheid voor de in het Militair Hospitaal gemaakte fout erkend en heeft de medische misser aangemerkt als bedrijfsongeval ten gunste van cliënt. Met de erkenning van aansprakelijkheid en tevens de erkenning dat het gaat om een bedrijfsongeval verklaart het Ministerie van Defensie tevens dat cliënt recht heeft op een volledige schadevergoeding. Echter, wat het Ministerie van Defensie daaronder verstaat is een andere dan de gangbare schadevergoeding bij leven of dood als het gaat om een niet-ambtenaar.
Cliënt is 80% tot 100% arbeidsongeschikt verklaard en deze arbeidsongeschiktheid is langdurig en ernstig te noemen. Terugkeer in het arbeidsproces is niet mogelijk. Op basis van dit arbeidsongeschiktheidspercentage ontvangt cliënt een arbeidsongeschiktheidspensioen van 70% van zijn pensioengrondslag. De pensioengrondslag is het inkomen, gedurende het jaar dat voorafgaat aan de ontslagdatum uit militaire dienst. Omdat het om een bedrijfsongeval gaat suppleert het Ministerie van Defensie het tekort tot 100% van het salaris aan. Maar het Ministerie van Defensie kan nog meer suppleren. Buiten de aanvulling op het loon kan het slachtoffer ook een uitkering wegens invaliditeit ontvangen. De invaliditeit moet dan wel tenminste 10% bedragen en er moet sprake zijn van invaliditeit met dienstverband. Bij cliënt was dat het geval. Defensie was bereid om naast de reguliere aanvulling op het loon ook nog een toeslag toe te kennen van 40% op het salaris in het kader van een militair invaliditeitspensioen. Het bijzondere van deze toeslag is, dat Defensie deze ziet als een compensatie voor geleden c.q. nog te lijden smart en levensvreugde, ofwel de immateriële schade.
Letselschaderegeling
Met de aanvulling op het arbeidsongeschiktheidspensioen en een toeslag tot maximaal 40% in het kader van een invaliditeitspensioen meent Defensie aan haar schadevergoedingsplicht te hebben voldaan. Echter, wat als een slachtoffer ook kosten heeft gemaakt in verband met verblijf in een ziekenhuis, reiskosten, kosten aangepaste auto etc. Volgens Defensie kan voor vergoeding van deze kosten een aanvraag worden ingediend bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in het kader van de rechtspositieregeling voor beroepsmilitairen. Deze vergoedingen zijn echter niet altijd kostendekkend. Bovendien zijn het minimale vergoedingen waarbij niet altijd rekening wordt gehouden met de persoonlijke wensen van een slachtoffer. Het slachtoffer kan daardoor op termijn een (aanzienlijke) financiële schade lijden. Ook bij cliënt was dat het geval. Na lang onderhandelen met Defensie was zij uiteindelijk bereid om een bedrag van € 50.000,-- betaalbaar te stellen als compensatie voor mogelijke niet op basis van de rechtspositieregelingen gedekte schadeposten (zogenoemde restschade) in het kader van de vergelijking van bestuursrechtelijke versus civielrechtelijke aanspraken van cliënt. Na herberekening van de diverse kosten en de vrees dat de voorzieningen op termijn door eventuele maatregelen van de overheid terug worden gebracht werd aan Defensie te kennen gegeven dit aanbod te laag was. Wederom werd er stevig onderhandeld met Defensie waarna het bedrag uiteindelijk werd verhoogd tot € 90.000,-- als slotbetaling op de reeds eerder betaalde kosten van circa € 45.000,- . Cliënt is uiteindelijk met dit voorstel akkoord gegaan omdat hij eigenlijk de strijd na ruim 15 jaar moe was.
Top pagina
|